-
1 geloof
1 [vertrouwen in de waarheid van iets] faith, belief ⇒ trust2 [vertrouwen op God(s woord)] faith5 [vertrouwen van anderen, krediet] trust♦voorbeelden:ergens geloof aan hechten • give/attach credence to something, believe something2 geloof, hoop en liefde • faith, hope and charityeen vurig geloof in God • ardent faith in Godeen geloof dat bergen kan verzetten • a faith that can move mountainshet geloof in reïncarnatie • belief in reincarnationgeloof in de mensheid hebben • have faith in humanityhet ware geloof • the true faith, the Faithzijn geloof belijden/verzaken/afzweren • profess/renounce/forswear one's faith5 op goed geloof aannemen • accept/take on trust/ in good faith
Перевод: с нидерландского на английский
с английского на нидерландский- С английского на:
- Нидерландский
- С нидерландского на:
- Английский