-
1 getij
marée -
2 tij
marée -
3 eb
marée basse -
4 hoog water
marée haute -
5 tij
♦voorbeelden:hoog tij • marée hautelaag tij • marée basseopkomend tij • marée montantehet tij keert, kentert • 〈 letterlijk〉 la marée perd; 〈 figuurlijk〉 il y a un renversement de la situation -
6 vloed
♦voorbeelden:de vloed keert • la marée changede vloed komt opzetten • l'eau montebij vloed • avec la maréeeen vloed van tranen • un torrent de larmeseen vloed van woorden • un flux de paroles -
7 eb
-
8 getijde
-
9 zee
♦voorbeelden:een zee van mensen • une marée humaineeen zee van woorden • un torrent de paroleskalme zee • mer calmede Middellandse Zee • la (mer) Méditerranéeruwe, woelige zee • mer agitéein volle, open zee • en pleine meraflopende zee • marée descendantezee kiezen • gagner le largewassende, opkomende zee • marée montanteaan zee • au bord de la mermet iemand in zee gaan • s'engager dans une affaireover zee • outre-merover, ter zee • par, sur merde zeven zeeën bevaren hebben • avoir roulé sa bossegeen zee gaat hem te hoog • il ne recule devant rien -
10 springvloed
-
11 vloedgolf
-
12 water
♦voorbeelden:dat kan al het water van de zee niet afwassen • rien ne pourra (jamais) laver cette fautehard water • eau calcairehet heilige water • l'eau bénitehoog water • marée hautehoog water hebben • avoir un besoin pressantlaag water • marée basseopen water • eau(x) libre(s)diamant van het zuiverste water • diamant de la plus belle eauhij is bang zich aan (koud) water te branden • il a peur de se mouillerwater bij de wijn doen • mettre de l'eau dans son vinwater naar de zee dragen • 〈m.b.t. tevergeefs werk〉 porter de l'eau à la mer; 〈m.b.t. geschenk〉 offrir des fleurs à un fleuristede planten water geven • arroser les planteszijn water laten lopen • être incontinenthet water liep hem langs de rug • il était en nageer moet nog veel water door de Rijn stromen voor … • il passera de l'eau sous les ponts avant que …het water staat mij aan de lippen • je suis dans les difficultés jusqu'au couhij keek of hij water zag branden • il avait l'air de tomber des nuesonder water staan • être inondéonder water zetten • inondereen schip te water laten • lancer un navire→ link=geld geld -
13 getij
= getijde; omarée f -
14 stortvloed
-
15 *getijdebeweging (woordenlijst: getijdenbeweging)
*getijdebeweging (woordenlijst: getijdenbeweging)Deens-Russisch woordenboek > *getijdebeweging (woordenlijst: getijdenbeweging)
-
16 aflopen
1 [weglopen] s'éloigner (de)2 [+ op][zich haastig begeven naar] se hâter d'aller (vers)4 [m.b.t. wekkers] sonner5 [wegstromen] s'écouler (de)7 [zich naar beneden uitstrekken] être en pente8 [ergens afgaan] se détacher (de)♦voorbeelden:1 niet van je plaats aflopen! • ne quitte pas ta place!de afgelopen nacht • la nuit dernièregoed aflopen • bien se terminerslecht aflopen • mal tournerhet loopt af met hem • sa fin approchehoe is het met die zaak afgelopen? • comment s'est terminée cette affaire?7 de rivier loopt hier sterk af • ici, la rivière a une forte penteeen aflopende weg • un chemin qui descendII 〈 overgankelijk werkwoord〉2 [doorlopen] parcourir♦voorbeelden:2 in hoeveel tijd kan men die afstand aflopen? • combien de temps faut-il pour parcourir cette distance? -
17 aflopend tij
aflopend tij -
18 aflopende zee
aflopende zee -
19 afnemen
1 [van een plaats verwijderen] enlever (de qc., à qn.)2 [van het hoofd nemen] enlever (de)3 [wegnemen] prendre (à)4 [ontdoen van wat er op ligt, staat] enlever (de); 〈 afruimen〉 débarrasser; 〈 schoonmaken〉 nettoyer5 [afpakken] prendre (qc. à qn.)6 [laten afleggen] faire passer (qc. à qn.)7 [kopen] acheter à♦voorbeelden:iemand een last afnemen • débarrasser qn. d'un fardeau3 iemand bloed afnemen • faire une prise de sang à qn.met zeep afnemen • laver au savon→ link=biecht biecht5 iemand zijn beurs afnemen • délester qn. de sa bourseeen kind een mes afnemen • retirer un couteau à un enfant6 een gelofte afnemen • faire prêter serment à qn.(iemand) een verhoor afnemen • faire subir un interrogatoire (à qn.)1 [verminderen] diminuer2 [korter, kleiner worden] raccourcir♦voorbeelden:de koorts neemt af • la fièvre tombeafnemend tij • marée descendante -
20 afnemend tij
afnemend tij
См. также в других словарях:
marée — [ mare ] n. f. • XIIIe; de mer 1 ♦ Mouvement journalier d oscillation de la mer dont le niveau monte et descend alternativement en un même lieu, provoqué par l attraction de la Lune et du Soleil. Marée montante. ⇒ flux. Marée haute (haute mer,… … Encyclopédie Universelle
Maree — Marée Cet article possède des paronymes, voir : marae, Maré et marais … Wikipédia en Français
maree — MARÉE, maree, s.f. 1. Mişcare oscilatorie zilnică şi alternativă (de înaintare sau de retragere de la ţărm) a apelor mărilor şi oceanelor, datorită atracţiei Lunii şi a Soarelui. ♢ (În sintagma) Maree neagră = strat de petrol care pluteşte pe… … Dicționar Român
Marée — (fr.), jeder frische, ungesalzene Seefisch … Pierer's Universal-Lexikon
Marée — (franz.), soviel wie Ebbe und Flut, die Gezeiten; dann Bezeichnung für frische Seefische als Handelsgegenstand; daher Chambre de la M., Gerichtshof für Angelegenheiten des Fischhandels … Meyers Großes Konversations-Lexikon
Maree — (Loch M., spr. marī), See nahe der Westküste der schottischen Grafschaft Roß, 20 km lang, 0,6–3,5 km breit, mit Inseln übersät und von wilden Gebirgen umgeben. Zufluß Kinlochewe, Abfluß Ewe … Meyers Großes Konversations-Lexikon
Marée — (frz.), Ebbe und Flut … Kleines Konversations-Lexikon
Maree — Maree, Loch (spr. lock märríh), See in der schott. Grafsch. Roß and Cromarty, 21 km lg., bis 110 m tief … Kleines Konversations-Lexikon
Marée — Le nom est surtout porté dans les Ardennes. C est une variante wallonne du prénom Marie … Noms de famille
marée — Marée, f. penac. Sont appelez les poissons en la mer, ou par difference poisson d eauë douce est celuy qui est pesché ailleurs qu en icelle mer, Marini pisces. Et vient de ce mot Latin Mare, Mer; Delà sont dits Chassemarées, les Voicturiers qui… … Thresor de la langue françoyse
maree — maree, marees see marrow n.1, marish … Useful english dictionary