-
1 koppelen
сводничать свести; (со)сватать; сцепить; соединить, связать; стыковать* * *(d)1) соединять; сцеплять; ruimt. производить стыковку2) сводничать* * *гл. -
2 привязывать на свору
-
3 сватать
vgener. koppelen -
4 сводничать
vgener. samenkoppelen, koppelen -
5 связывать
v1) gener. samenstrengelen, binden, knevelen, koppelen, samenbinden, strengelen, stuiken (в пучки, снопы и т.п.), voegen, aaneenknopen, aaneenvoegen, ineenyoegen, samenvoegen, schakelen, vastknopen, verbinden2) eng. lassen -
6 случать
-
7 соединять
v1) gener. integreren, aaneenhechten, aaneenvoegen, aansluiten, huwen, schakelen, verbinden, aaneensluiten, aanvoegen, bijeendoen, bijeenvoegen, combineren, doorverbinden (по телефону), ineenyoegen, koppelen, lieren, samenbrengen, samendoen, samentrekken, samenvoegen, unieren, verenen, verenigen, voegen2) liter. amalgameren3) eng. aaneensmeden -
8 спаривать
vgener. aaneenkoppelen (паровозы и т.п.), copuleren, koppelen, paren (животных) -
9 стреноживать
-
10 сцеплять
vgener. samenkoppelen, Aankoppelen (вагоны и т.п.), aaneenschakelen, koppelen (вагоны и т.п.), schakelen
См. также в других словарях:
kuppeln — Vsw erw. obs. (13. Jh.), mhd. kuppeln, kupelen, koppeln, kopelen verbinden Entlehnung. Kann von mhd. kup(p)el, kop(p)el Band, Verbindung (Koppel1) abgeleitet sein; ist aber eher schon als Verb von l. copulāre verbinden (wohl über das… … Etymologisches Wörterbuch der deutschen sprache