-
1 examineren
èksaminá, investigáDicionário Português-Holandês e Holandês-Português > examineren
-
2 экзаменовать
examineren -
3 investigá
examineren [v], nakijken [v], onderzoeken [v], nauwkeurig onderzoeken [v]; exploreren [v], nagaan [v], onderzoeken [v], uitvissen [v], uitzoeken [v], vorsen [v]Dicionário Português-Holandês e Holandês-Português > investigá
-
4 èksaminá
examineren [v], nakijken [v], onderzoeken [v], nauwkeurig onderzoeken [v]Dicionário Português-Holandês e Holandês-Português > èksaminá
-
5 investigá
examineren [v], nakijken [v], onderzoeken [v], nauwkeurig onderzoeken [v]; exploreren [v], nagaan [v], onderzoeken [v], uitvissen [v], uitzoeken [v], vorsen [v] -
6 èksaminá
examineren [v], nakijken [v], onderzoeken [v], nauwkeurig onderzoeken [v] -
7 examine
-
8 examiner
examiner [egzaamienee]1 zichzelf, elkaar bekijken ⇒ zich, elkaar onderzoekenv1) onderzoeken2) nauwkeurig bekijken, opnemen3) examineren -
9 interroger
interroger [ẽterrozĵee]1 ondervragen ⇒ verhoren, in verhoor nemen2 vragen stellen aan ⇒ interviewen, overhoren, examineren3 onderzoeken ⇒ nader bestuderen, aandachtig bekijken♦voorbeelden:interroger sa mémoire • zijn geheugen raadplegeninterroger qn. du regard • iemand vragend aankijkeninterroger qn. sur la direction à prendre • bij iemand informeren welke weg men moet nemen♦voorbeelden:v1) ondervragen, verhoren2) examineren, overhoren3) onderzoeken -
10 prüfen
prüfen1 onderzoeken ⇒ testen, controleren5 〈 sport en spel〉testen, op de proef stellen♦voorbeelden:TÜV geprüft • met keuringsbewijsWaren prüfen • waren keuren, controlerenstaatlich geprüft • met staatsdiplomaSchüler in Deutsch prüfen • leerlingen een Duits proefwerk laten maken -
11 испытывать
vgener. beleven, beproeven, invliegen (самолёт), keuren, ondervinden, onderzoeken, proberen, tegenkomen (что-л.), tenteren, beethebben (что-л.), doormaken, eksamineren, ervaren, examineren, medemaken, meeleven, meemaken, ondergaan, overbrengen, testen, toedragen, toetsen, (на полигоне) uitproberen -
12 экзаменовать
vgener. (iem.) een examen afnemen, eksamineren, examen afnemen, examineren -
13 examine someone in/on
examine someone in/on -
14 quiz
-
15 scrutinise
-
16 scrutinize
-
17 search
n. onderzoek; opsporing; verhoor--------v. zoeken; examineren; onderzoeken; nagaan; verhoren; opsporensearch1[ sə:tsj] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 grondig onderzoek ⇒ opsporing; speurwerk; 〈 figuurlijk〉 jacht; fouillering; huiszoeking; 〈 computer〉 zoekbewerking/functie♦voorbeelden:his search after glory • zijn jacht op/naar roemthe search for terrorists • de jacht op terroristenin search of • op zoek naar————————search2♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 grondig onderzoeken ⇒ grondig bekijken; fouilleren; naspeuren♦voorbeelden:search out • op het spoor komen -
18 test
n. examen, test; onderzoek--------v. testen, examinerentest1[ test] 〈 zelfstandig naamwoord〉♦voorbeelden:pass a test • slagen voor een toetsput something to the test • iets op de proef stellen, iets (uit)testen/onderzoeken————————test2♦voorbeelden:1 test for • onderzoeken (op), het gehalte bepalen vanII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 toetsen ⇒ testen, aan een toets/test/proef onderwerpen; nagaan/kijken, onderzoeken2 (zwaar) op de proef stellen ⇒ veel vergen van, hoge eisen stellen aan♦voorbeelden:testing times • zware/moeilijke tijden -
19 granska
1) onderzoeken2) examineren3) nakijken -
20 rannsaka
1) nakijken2) onderzoeken3) examineren4) streven5) pogen
- 1
- 2