-
1 merit
n. verdienste; de voors en tegens (v. iets); iets op zijn eigen waarde beoordelen--------v. verdienen, waard zijnmerit1[ merrit] 〈 zelfstandig naamwoord〉♦voorbeelden:a man of merit • een man van verdienstereward each according to his merits • elk naar eigen verdienste belonenjudge something on its (own) merits • iets op zijn eigen waarde beoordelen————————merit2 -
2 the merits and demerits of something
English-Dutch dictionary > the merits and demerits of something
Перевод: со всех языков на нидерландский
с нидерландского на все языки- С нидерландского на:
- Все языки
- Со всех языков на:
- Все языки
- Английский
- Нидерландский
- Французский