-
21 om de andere dag
om de andere dagevery other day, on alternate days————————om de andere dagevery other day, on alternative daysVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > om de andere dag
-
22 van de ene dag op de andere
van de ene dag op de andere————————van de ene dag op de andereVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > van de ene dag op de andere
-
23 vandaag de dag
vandaag de dagnowadays, these days————————vandaag de dagnowadays, these days, currently -
24 24 uur per dag
24 uur per dag -
25 500 mijl per dag afleggen
500 mijl per dag afleggenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > 500 mijl per dag afleggen
-
26 aan de dag treden
aan de dag tredenemerge, become apparent 〈 bijvoorbeeld gebreken〉Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > aan de dag treden
-
27 alles mag toch maar vandaag de dag
alles mag toch maar vandaag de dagVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > alles mag toch maar vandaag de dag
-
28 als Pasen en Pinksteren op één dag vallen
als Pasen en Pinksteren op één dag vallenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > als Pasen en Pinksteren op één dag vallen
-
29 bij dag
bij dag -
30 bij het aanbreken van de dag/nacht
bij het aanbreken van de dag/nachtat daybreak/nightfallVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > bij het aanbreken van de dag/nacht
-
31 bij klaarlichte dag
bij klaarlichte dagVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > bij klaarlichte dag
-
32 dat is zo klaar als de dag
dat is zo klaar als de dagVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > dat is zo klaar als de dag
-
33 de Dag van de Arbeid
de Dag van de ArbeidVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > de Dag van de Arbeid
-
34 de baby krijgt vijf voedingen per dag
de baby krijgt vijf voedingen per dagVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > de baby krijgt vijf voedingen per dag
-
35 de dag daarna
de dag daarna -
36 de dag daarop
de dag daaropthe next/following day, the day after (that) -
37 de dag der afrekening
de dag der afrekeningVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > de dag der afrekening
-
38 de dag des Heren
de dag des HerenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > de dag des Heren
-
39 de dag doorkomen
de dag doorkomenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > de dag doorkomen
-
40 de dag doorslapen
de dag doorslapenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > de dag doorslapen
См. также в других словарях:
Dag — als Abkürzung steht für: Barstow Daggett Airport, ein Flughafen in Daggett, Kalifornien nach dem IATA Code DAG Gebiet, siehe Wohngebiete der Stadt Stadtallendorf Demented Are Go, eine Psychobilly Band Deutsch Arabische Gesellschaft Deutsch… … Deutsch Wikipedia
DAG — als Abkürzung steht für: Demented Are Go, eine Psychobilly Band Deutsch Arabische Gesellschaft Deutsch Armenische Gesellschaft Deutsche Adipositas Gesellschaft Deutsche Angestellten Gewerkschaft Deutsche Ansiedlungsgesellschaft Deutsche… … Deutsch Wikipedia
Dağ Kəsəmən — Municipality … Wikipedia
Dag — (d[a^]g), n. [Cf. F. dague, LL. daga, D. dagge (fr. French); all prob. fr. Celtic; Cf. Gael. dag a pistol, Armor. dag dagger, W. dager, dagr, Ir. daigear. Cf. {Dagger}.] 1. A dagger; a poniard. [Obs.] Johnson. [1913 Webster] 2. A large pistol… … The Collaborative International Dictionary of English
Dag — Dag, v. t. [1, from {Dag} dew. 2, from {Dag} a loose end.] 1. To daggle or bemire. [Prov. Eng.] Johnson. [1913 Webster] 2. To cut into jags or points; to slash; as, to dag a garment. [Obs.] Wright. [1913 Webster] … The Collaborative International Dictionary of English
dag — 〈Zeichen für〉 Dekagramm * * * dag = Dekagramm. * * * DAG, Abkürzung für Deutsche Angestellten Gewerkschaft, Angestelltengewerkschaften. * * * DAG = Deutsche Angestelltengewerkschaft … Universal-Lexikon
DAG — 〈Abk. für〉 Deutsche Angestellten Gewerkschaft * * * dag = Dekagramm. * * * DAG, Abkürzung für Deutsche Angestellten Gewerkschaft, Angestelltengewerkschaften. * * * DAG = Deutsche Angestelltengewerkschaft … Universal-Lexikon
dag — sb., en, e, ene, i sms. dag , fx daghold, og dags , fx dagsbehov; i dag; nu til dags; op ad dagen; ligne op ad dage; tage nogen af dage; det varer en dags tid; han tager tre dages ferie … Dansk ordbog
Dag — Dag, n. [Of Scand. origin; cf. Sw. dagg, Icel. d[ o]gg. [root]71. See {Dew}.] A misty shower; dew. [Obs.] [1913 Webster] … The Collaborative International Dictionary of English
Dag — Dag, n. [OE. dagge (cf. {Dagger}); or cf. AS. d[=a]g what is dangling.] A loose end; a dangling shred. [1913 Webster] Daglocks, clotted locks hanging in dags or jags at a sheep s tail. Wedgwood. [1913 Webster] … The Collaborative International Dictionary of English
Dag — Dag, v. i. To be misty; to drizzle. [Prov. Eng.] [1913 Webster] … The Collaborative International Dictionary of English