-
1 cela se comprend
cela se comprend (de soi)dat is te begrijpen, dat spreekt vanzelf -
2 chez
chez [sĵee]〈 voorzetsel〉1 bij ⇒ in het huis, het land, de winkel, de werken van♦voorbeelden:repas bien de chez nous • typisch Franse maaltijdchez soi • thuisrentrer chez soi • naar huis gaanfaites comme chez vous • doe alsof u thuis bentprép1) bij2) naar -
3 servir
servir [servier]2 dienen ⇒ van dienst, van nut zijn, gebruikt worden♦voorbeelden:servir d' interprète à qn. • voor iemand als tolk optredenservir de combustible • als brandstof dienen, fungerenservir de guide à qn. • iemands gids zijnservir de leçon à qn. • voor iemand een les zijnservir de prétexte à qn. • door iemand als voorwendsel gebruikt worden2 cela ne sert à rien • dat dient nergens toe, daar hebben we niets aan〈 onpersoonlijk〉 à quoi (cela) sert (-il) de 〈+ onbepaalde wijs〉 • waartoe dient het te, wat heeft het voor zin omservir à qc. • tot, voor iets dienen; (aan) iets ten goede komenservir à qn. • iemand ten goede komen, te pas komencela peut encore servir • dat kan nog dienst doen→ pointII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 in dienst zijn van ⇒ dienen, zich in dienst stellen van, helpen3 bedienen4 serveren ⇒ inschenken, opscheppen5 opdienen ⇒ opbrengen, voordienen, voorschotelen6 geven ⇒ uitbetalen, leveren♦voorbeelden:en fait de pluie, nous avons été (bien) servis cet été • wat regen betreft hebben we van de zomer onze portie wel gehad4 qu'est-ce que je vous sers? • wat mag ik u aanbieden?, wat mag ik voor u inschenken?servir chaud • warm opdienenservir à déjeuner à qn. • iemand een ontbijt, lunch voorzetten♦voorbeelden:v1) (be)dienen2) serveren, opslaan [sport]3) helpen4) te pas komen5) serveren, opscheppen6) geven, leveren -
4 passer
passer [paasee]2 voorbijgaan ⇒ voorbijkomen, gaan (langs), passeren4 gaan (van … naar) ⇒ overgaan (naar, tot)5 doorgaan (voor) ⇒ gelden (als), passeren (voor)♦voorbeelden:défense de passer • geen toegangmon dîner ne passe pas • mijn avondeten ligt me zwaar op de maagcette histoire-là ne passe pas • dat verhaal is niet geloofwaardigla loi a passé • de wet is aangenomencette scène ne passe pas • die scène komt niet goed over (bij het publiek)laissez passer! • maak ruimte!, opzij!passer outre à qc. • geen rekening houden met ietsje suis passé par là • dat heb ik ook meegemaaktil faut en passer par ses volontés • men moet voor zijn wil buigenil faudra en passer par là • er zit niets anders openfin, passe pour lui • nu goed, voor hem maken we een uitzondering(cela) passe (encore), mais … • dat is nog tot daar aan toe, maar …passer prendre qn. • iemand komen ophalenen passant • in het voorbijgaan, terloopssoit dit en passant • trouwens, tussen twee haakjespasser sur les fautes de qn. • iemands fouten door de vingers zienpasser sur les détails • niet stil blijven staan bij details3 comme le temps passe! • wat gaat de tijd snel!faire passer le temps • de tijd verdrijvenfaire passer à qn. le goût, l'envie de qc. • iemand de lust tot iets doen vergaan〈 spreekwoord〉 tout passe, tout lasse, tout casse 〈 alles gaat voorbij〉cela lui passera • dat gaat wel overenfin, passons! • nu goed, laten we daar niet meer over praten!4 où est-il passé? • waar is hij gebleven?passer à l'ennemi • naar de vijand overlopenpasser en deuxième, seconde • overschakelen naar de tweede versnellingpasser en seconde • naar de vijfde klas gaanse faire passer pour • zich uitgeven voor1 oversteken ⇒ over-, doortrekken, overgaan, doorkomen, gaan door3 voorbijgaan ⇒ passeren, overschrijden4 aanreiken ⇒ overhandigen, aan-, doorgeven5 aanschieten ⇒ aandoen, aantrekken6 halen door, langs, over ⇒ strijken langs, over, steken door, in, vertonen 〈 film〉 ⇒ draaien 〈 plaat〉7 overslaan ⇒ voorbij laten gaan, weglaten♦voorbeelden:1 passer un mur • over een muur klimmen, springenpasser sa vie à manger et à dormir • niets anders doen dan eten en slapenpasser la seconde • naar de tweede versnelling gaanpasser un coup de fil à qn. • iemand opbellen〈 communicatie(media)〉 je vous passe … • ik verbind u door met …6 qu'est-ce qu'il lui a passé! • hij heeft hem er flink van langs gegeven!j'en passe et des meilleures! • en ik vertel nog niet ééns alles!1 gebeuren ⇒ zich afspelen, voorvallen4 het stellen zonder ⇒ missen, ontberen, afzien van♦voorbeelden:1 que se passe-t-il?, qu'est-ce qui se passe? • wat gebeurt er?ça ne se passera pas comme ça! • dat gaat zomaar niet!tout se passe comme si • het lijkt wel of, alles wijst erop datne pas pouvoir dire ce qui se passe en soi • niet kunnen zeggen wat er in zijn binnenste omgaat→ jeunesse4 je me passerais bien volontiers de cette corvée • ik zou maar al te graag onder dat karwei uit willen komenvoilà qui se passe de commentaires • dat maakt commentaar overbodig, dat spreekt voor zichzelf1. v2) gaan (van...naar)4) uitgezonden worden [film, radio]6) verbleken7) oversteken8) doorbrengen9) passeren, overschrijden10) over-handigen11) aantrekken12) halen door, langs, over13) vertonen [film]14) overslaan15) vergeven16) doen verdwijnen17) zeven18) boeken2. se passerv1) gebeuren2) voor-bijgaan3) missen, afzien (van) -
5 suffire
suffire [suufier]1 voldoende, toereikend zijn ⇒ voldoen (aan)♦voorbeelden:1 ça suffit comme ça! • zo is het genoeg!cela me suffit • ik heb genoegil vous suffira de le lui dire • u hoeft het hem maar te zeggenil suffit d'une fois • één keer is voldoendeil suffit d'un rien • er is slechts een klein beetje nodigcela suffit à mon bonheur • daarmee ben ik tevredenil pouvait suffire à tous ses besoins • hij kon in al zijn behoeften voorzien→ jour♦voorbeelden:v1) genoeg zijn -
6 aller
aller1 [aalee]〈m.〉♦voorbeelden:je ne fais qu'un aller et retour de la maison au boulanger • ik loop even naar de bakkerà l'aller • op de heenweg, heenreis————————aller2 [aalee]2 functioneren ⇒ lopen, gaan3 passen ⇒ staan, samengaan♦voorbeelden:se laisser aller • zichzelf verwaarlozen, zich laten gaan, de moed verliezense laisser aller à la joie • zich overgeven aan vreugdese laisser aller à critiquer qn. • zich ertoe laten verleiden iemand te bekritiserenaller et venir • heen en weer lopen, gaan en komentout va bien • alles is in orde, okayaller devant • voorgaanil ira loin • hij zal het ver schoppenaller à son travail • naar zijn werk gaanaller à vélo, à bicyclette • fietsenaller à pied • (gaan) lopenaller aux renseignements • op inlichtingen uitgaanaller chez qn. • iemand een bezoek brengenaller chez le coiffeur • naar de kapper gaanaller contre • ingaan tegenaller de soi, sans dire • vanzelf sprekenaller en avant • vooruit gaanaller en bateau • varenaller en voiture, en train • met de auto, de trein gaanaller en France • naar Frankrijk gaanil est allé jusqu'à lui dire que • hij heeft hem zelfs gezegd datallons, allons! • kom kom, kop op!, ben je mal!allez, allez • kom, kom, zeg, zegallons donc, ce n'est pas vrai! • och kom, dat is niet waar!allez donc! • kom nou! 〈 ongeloof〉allez! • schiet op!, hup!allez, Michèle, dis-moi • toe, Michèle, zeg me nou eensva donc! • ga nou!je suis raisonnable, va • ik doe heus geen gekke dingenà la va comme je te pousse • met de Franse slag→ avant2 ça va? • (hoe) gaat het?ça ne va pas? • is er iets?, gaat het niet?ça ne va pas trop mal • ik mag niet mopperença peut aller • het kan ermee door〈 informeel〉 ça va pas, (la tête)? • ben je niet goed snik?comment allez-vous? ça va, merci • hoe maakt u het? goed, dank u〈 onpersoonlijk〉 il en va de cette affaire comme de l'autre • met deze zaak gaat het net zo als met die anderequ'est-ce qui ne va pas? • wat is er?, scheelt er iets aan?il y a quelque chose qui ne va pas • er is iets misaller bien • goed gaan, het goed makenaller mal • slecht gaan, het slecht makenle poste de radio va mal • de radio doet het niet goedvas-y, allez-y • ga erheen, doe het maar, vooruit maar, ga je gangallons-y • laten we gaan, laten we beginnen, kom, vooruit〈 sport en spel〉 vas-y, Robert! • hup, Rob!ça y allait! • dat ging er vrolijk aan toe!vous y allez un peu fort • nu overdrijf je een beetjecomme vous y allez! • kalm aan een beetje!il y est allé de sa chanson • hij heeft een liedje ten beste gegevenil a dû y aller de sa bourse • hij heeft moeten dokken3 ça vous va? • schikt u dat?ça me va • goed, okayest-ce que cette robe me va? • staat die jurk me?aller bien ensemble • goed bij elkaar passenla clef ne va pas à la serrure • die sleutel past niet in het slotelle allait tout avouer lorsque • ze zou net alles bekennen, toenn'allez surtout pas croire que • denk vooral niet datpourvu qu'il n'aille pas se faire prendre • als hij maar niet gepakt wordtn'allez pas vous imaginer que • verbeeld je maar niet datva savoir!, allez donc savoir! • wie zal het zeggen?va pour la Corse, cette année • nou goed dan, (we gaan) dit jaar naar Corsicaaller sur ses 40 ans • tegen de 40 lopen1 weggaan2 verdwijnen ⇒ verstrijken, sterven♦voorbeelden:1. m1) heenreis2) enkele reis [openbaar vervoer]2. v1) gaan, lopen2) reizen3) vertrekken5) het (goed, slecht) maken6) functioneren7) passen, goed staan, samengaan8) zullen, gaan3. s'en allerv1) weggaan2) verdwijnen3) zullen, gaan -
7 comprendre
comprendre [kõprãdr]1 begrijpen ⇒ beseffen, verstaan, duidelijk inzien2 bevatten ⇒ omvatten, bestaan uit3 meerekenen ⇒ meetellen, inbegrepen doen zijn (bij)♦voorbeelden:comprendre un code • een code kunnen ontcijferencomprendre la plaisanterie • tegen een grapje kunnencomment comprenez-vous le rôle d'un conseiller? • hoe ziet u de rol van een raadsman?voilà comme je comprends des vacances • dat is voor mij de ideale vakantiefaire comprendre qc. à qn. • iemand iets duidelijk makense faire comprendre • zich verstaanbaar maken, zich duidelijk uitdrukkenje n'y comprends rien • ik begrijp er niets vancomprendre qc. à demi-mot • maar een half woord nodig hebbenj'ai compris que 〈+ aantonende wijs〉 • ik heb bemerkt dat, ik heb ingezien datje comprends • ik snap het¶ je comprends! • nou en of!♦voorbeelden:1 cela se comprend (de soi) • dat is te begrijpen, dat spreekt vanzelf1. v1) begrijpen, beseffen2) bestaan uit3) meerekenen2. se comprendrev -
8 égal
égaux [eegoo]〈m., v.〉1 gelijke♦voorbeelden:à l'égal de • evenzeer alsd' égal à égal • op voet van gelijkheidsans égal • zonder weerga————————égal2 [eegaal],égaux [eegoo]1 gelijk ⇒ eender, dezelfde, hetzelfde2 gelijkmatig ⇒ onveranderlijk, regelmatig3 vlak ⇒ plat, egaal4 gelijk ⇒ onverschillig, om het even6 onpartijdig ⇒ eerlijk, gelijk♦voorbeelden:rester égal à soi-même • zichzelf blijven1. m (f - égale) 2. = égale; égaladj1) gelijk, dezelfde, hetzelfde2) gelijkmatig, regelmatig3) vlak, plat6) onpartijdig, eerlijk7) congruent [wiskunde] -
9 revenir
revenir [rəvnier]1 terugkomen (in, uit, op) ⇒ terugkeren (naar), opnieuw plaatsvinden2 terugkomen (op) ⇒ zijn mening herzien, terugkomen (van)3 terugkomen (bij) ⇒ te binnen schieten, invallen5 toekomen (aan) ⇒ ten deel vallen, ten goede komen (aan)9 spoken♦voorbeelden:revenir à soi • (weer) bijkomenrevenir à ses études • zijn studie weer opvattenrevenir de l'école • uit school komenje reviens de le voir • ik heb hem zojuist gezienrevenir d' une erreur • van een dwaling terugkomenêtre revenu de tout • van alles zijn bekomst hebbenrevenir de loin • oog in oog met de dood gestaan hebben, ver heen geweest zijnrevenir de ses craintes • zijn angsten te boven komenje n'en reviens pas de voir ses progrès • ik ben stomverbaasd over zijn vorderingen→ chargev1) terugkomen, terugkeren6) kosten8) bevallen
См. также в других словарях:
Cela va de soi — ● Cela va de soi c est évident, naturel … Encyclopédie Universelle
soi — [ swa ] pron. pers. • XIIe; sei 1050; du lat. se, en position accentuée → se ♦ Pronom personnel réfléchi de la 3e personne. ⇒ lui (IV); et aussi elle, eux (cf. pop. Sa pomme, sézigue). I ♦ (Se rapportant à des personnes) A ♦ Représentant … Encyclopédie Universelle
soi-disant — [ swadizɑ̃ ] adj. inv. et adv. • v. 1435; de soi et disant, de 1. dire 1 ♦ (Personnes) Qui se dit, qui prétend être tel. « la soi disant comtesse » (A. Daudet). Le soi disant plombier était un cambrioleur. 2 ♦ (Emploi critiqué) Qui n est pas ce… … Encyclopédie Universelle
soi-même — soi [ swa ] pron. pers. • XIIe; sei 1050; du lat. se, en position accentuée → se ♦ Pronom personnel réfléchi de la 3e personne. ⇒ lui (IV); et aussi elle, eux (cf. pop. Sa pomme, sézigue). I ♦ (Se rapportant à des personnes … Encyclopédie Universelle
cela — [ s(ə)la ] pron. dém. • XIIIe; de 2. ce, et là 1 ♦ (Opposé à ceci) Désigne ce qui est plus éloigné; ce qui précède; ce qu on oppose à ceci. 2 ♦ Cette chose. ⇒ 1. ça(plus cour.). Buvez cela. Ne parlez pas de cela. Remplace ce … Encyclopédie Universelle
SOI — Pronom singulier de la troisième personne, et des deux genres. Employé absolument, il est toujours accompagné d une préposition, excepté dans la phrase Être soi (voyez plus bas). Quand on le dit Des personnes, il ne se rapporte ordinairement qu à … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 7eme edition (1835)
SOI — Pronom de la troisième personne, des deux genres Sauf dans l’expression être soi, où il est attribut, il ne s’emploie que comme complément et est toujours précédé d’une préposition. Quand on le dit des Personnes, il ne se rapporte ordinairement… … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 8eme edition (1935)
Soi (spiritualite) — Soi (spiritualité) Pour les articles homonymes, voir Soi (homonymie). Le Soi avec le S majuscule (parfois appelé « vrai soi » ou « Soi supérieur » par distinction avec l ego, ou « soi », qui prend alors un petit s),… … Wikipédia en Français
soi — (soi), pronom réfléchi de la troisième personne des deux genres et des deux nombres, qui s emploie comme régime d une préposition ou quelquefois comme régime direct d un verbe actif. 1° Il se rapporte d ordinaire à un mot général et indéterminé … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
Soi-même comme un autre — est un ouvrage du philosophe Paul Ricoeur paru au Seuil en 1990. Constatant la disparition de l ego de l idéalisme de Descartes ou Kant, il s efforce de refonder l ego, le Soi même, mais désormais en référence permanente à l Autre. « l Autre … Wikipédia en Français
Soi (spiritualité) — Pour les articles homonymes, voir Soi (homonymie). Le Soi, transcrit avec un S majuscule, désigne l identité originelle et ultime de l être dans plusieurs traditions spirit … Wikipédia en Français