-
1 gewoon
1 [algemeen] ordinaire2 [gewend aan, vertrouwd met] habitué♦voorbeelden:de gewone betekenis van een woord • la signification courante d'un mothij is verschrikkelijk gewoon • il est terriblement ordinairehet gewone leven • la vie quotidiennede gewone manier van doen • la manière habituelleeen gewoon mens • un homme, une femme comme tout le mondedat is mijn gewone plaats • c'est ma place habituellegewone rechtbank • tribunal de droit commungewoon soldaat • simple soldatop het gewone tijdstip • à l'heure accoutuméegewone rode wijn • vin rouge ordinaireeindelijk ben ik weer gewoon • enfin je suis de nouveau moi-mêmeradio is nu iets heel gewoons • de nos jours la radio est quelque chose de banalgewoon zijn te, om • avoir l'habitude deII 〈 bijwoord〉1 [op de gebruikelijke wijze; in de gebruikelijke mate] normalement2 [ronduit gezegd] franchement3 [zonder meer] (tout) simplement♦voorbeelden:doe maar gewoon! • fais comme tout le monde!ga alsjeblieft gewoon zitten! • assieds-toi comme il faut!dat vlees is gewoon niet te eten • cette viande est franchement inmangeable't kan gewoon niet anders • c'est forcéje gaat gewoon naar hem toe • tu vas simplement le voir -
2 't kan gewoon niet anders
't kan gewoon niet anders -
3 kracht
♦voorbeelden:kracht van wet hebben • avoir force de loimet alle kracht • de toutes ses forcesiets uit, op eigen kracht doen • faire qc. par ses propres moyenshij heeft zich op eigen kracht omhooggewerkt • il s'est élevé à la force du poigneteen amulet heeft magische kracht • une amulette a un pouvoir magiquestille krachten • pouvoirs occultesde stuwende kracht in een bedrijf • le moteur, l'animateur d'une entrepriseeen wet met terugwerkende kracht • une loi rétroactivemet vereende krachten • dans un effort communhet eist te veel van zijn krachten • c'est au-dessus de ses forcesdat kost kracht • c'est un travail de forcedaarin ligt zijn (grote) kracht • c'est ce qui fait sa forcezijn krachten meten met iemand • se mesurer avec qn.nieuwe krachten opdoen • refaire ses forceskracht putten uit iets • puiser sa force dans qc.zijn krachten sparen • ménager ses forceslaten we onze krachten verenigen • unissons nos effortszijn krachten wijden aan iets • consacrer tous ses efforts à qc.in de kracht van zijn leven • dans la force de l'âgeweer op krachten komen • reprendre des forcesvan kracht zijn • être en vigueurvan kracht worden • prendre effetvan kracht blijven • rester en vigueureen losse kracht • un employé temporaire -
4 macht
2 [mogendheid; ook wiskunde] puissance♦voorbeelden:de macht van het woord • la magie du verbede hogere macht • la puissance divineuit de ouderlijke macht ontzet worden • être déchu de l'autorité paternellede rechterlijke macht • le pouvoir judiciairede uitvoerende macht • le pouvoir exécutifde macht hebben om … • avoir le pouvoir de …macht over iemand hebben • avoir de l'autorité sur qn.de macht overnemen • saisir le pouvoirmacht uitoefenen • exercer son pouvoir (sur qn.)aan de macht komen • parvenir au pouvoirbij machte zijn om … • être à même de …dat ligt boven mijn macht • c'est au-dessus de mes forcesiemand in zijn macht hebben • avoir qn. à sa merciverlangen naar macht • volonté de puissancenaar de macht grijpen • prendre le pouvoirde drie machten in een staat • les trois pouvoirs d'un Etatn tot de derde macht • n au cube(een getal) tot de tweede macht verheffen • élever (un nombre) au carré3 boven je macht werken • 〈 letterlijk〉 faire un travail qui oblige à lever les bras; 〈m.b.t. lichaamsinspanning〉 faire un travail physique au-dessus de ses forces; 〈m.b.t. intellect〉 faire un travail au-dessus de ses capacitésuit alle macht • de toutes ses forces -
5 hand
♦voorbeelden:op handen en voeten lopen, kruipen • marcher à quatre pattesin andere handen komen • changer de mainaan de beterende hand zijn • être en voie de guérisoneen gelukkige hand van gooien hebben • avoir la main chanceuseeen gemakkelijke hand van uitgeven hebben • dépenser sans compterdie zaak is in goede handen • cette affaire est en bonnes mainsgouden handen hebben • avoir des doigts de féemet harde hand opvoeden • élever à la dure(iemand) de helpende hand bieden • tendre une main secourable (à qn.)bevelen van hoger hand • ordres qui viennent d'en hautvan hoger hand is besloten dat • les autorités ont décidé que〈 figuurlijk〉 de laatste hand aan iets leggen • mettre la dernière main à qc.niet met lege handen komen • ne pas arriver les mains vides〈 figuurlijk〉 iets uit de losse hand doen • faire qc. par-dessus la jambemet losse handen rijden • rouler sans les mainsiemand de reddende hand toesteken • tendre la perche à qn.de sterke hand • (les agents de) la force publiquede politiek van de toegestoken hand • la politique de la main tenduemet vaste hand • d'une main assuréemet vaste, krachtige hand regeren • gouverner avec poignein vertrouwde handen zijn • être entre bonnes mainsde vlakke hand • la paumedat kost handen vol geld • ça coûte une (petite) fortunein vreemde handen overgaan • passer en d'autres mainsde handen vrij hebben • avoir les coudées franches〈 figuurlijk〉 iemand de vrije hand laten • donner carte blanche à qn.aan de winnende hand zijn • être en train de gagner〈 figuurlijk〉 de handen van iemand aftrekken • abandonner qn. à son sort〈 figuurlijk〉 de handen van iets aftrekken • se détourner de qc.〈 figuurlijk〉 iemand de handen binden • lier les mains à qn.iemand de hand drukken, geven, schudden • donner une poignée de main à qn.iemand de hand op iets geven • donner sa parole à qn.zij kunnen elkaar de hand geven • ils peuvent se donner la main〈 figuurlijk〉 de hand in iets hebben • être mêlé à qc.〈 figuurlijk〉 de hand aan iets houden • observer (scrupuleusement) qc.de hand op iets, iemand leggen • mettre la main sur qc., qn.de hand lezen • lire (dans) les lignes de la mainde hand met iets lichten • 〈 't niet zo nauw nemen〉 prendre qc. à la légère; 〈 zich ervan afmaken〉 bâcler qc.hij heeft de handen los aan zijn lijf zitten • il n'a pas les bras gourds〈 figuurlijk〉 zijn hand niet voor iets omdraaien ↓ faire qc. les doigts dans le nez〈 figuurlijk〉 de hand(en) tegen iemand opheffen • lever la main contre qn.iemand de hand reiken, toesteken • tendre la main à qn.; 〈 helpen〉 donner un coup de main à qn.de hand aan de ploeg, aan het werk slaan • se mettre à l'ouvragezijn handen niet thuis kunnen houden • 〈 slaan〉 avoir la main leste; 〈 betasten〉 avoir la main baladeuse; 〈 stelen〉 laisser traîner ses mains partout〈 figuurlijk〉 iemand de handen vullen • graisser la patte à qn.〈 figuurlijk〉 iemands handen zalven • graisser la patte à qn.mijn hand erop! • c'est promis!handen omhoog! • haut les mains!streng de hand houden aan de voorschriften • être à cheval sur le règlementhanden thuis! • bas les pattes!〈 figuurlijk〉 iemand iets aan de hand doen • suggérer qc. à qn.hand aan (in) hand gaan • marcher la main dans la main〈 figuurlijk〉 iets achter de hand hebben • avoir qc. en réserve〈 figuurlijk〉 iets bij de hand nemen • entreprendre qc.〈 figuurlijk〉 iets bij de hand hebben • avoir qc. à portée de la mainin de handen klappen • battre des mainsin handen vallen van de politie • tomber aux mains de la policegoed, gemakkelijk in de hand liggen • être maniablezijn toekomst is in mijn handen • son avenir est entre mes mainsiemand iets in handen spelen • faire passer discrètement qc. à qn.iets met het bewijs in handen aantonen • démontrer qc. preuves en main〈 figuurlijk〉 iemand in handen vallen • tomber entre les mains de qn.〈 figuurlijk〉 iemand iets in handen geven • confier qc. à qn.hij wil met de hand aan de hemel reiken • il veut décrocher la lunemet de handen werken • travailler de ses mains〈 figuurlijk〉 met de hand op het hart iets verklaren • déclarer qc. la main sur le coeurmet de hand genaaid • cousu (à la) mainzich met hand en tand verzetten • se défendre comme un lion〈 figuurlijk〉 iemand naar zijn hand stellen • manipuler qn.〈 figuurlijk〉 iemand naar zijn hand zetten • mettre qn. dans sa pocheiets om handen hebben • avoir qc. à faire〈 figuurlijk〉 iets onder handen hebben • travailler à qc.〈 figuurlijk〉 iemand onder handen nemen • passer un savon à qn.op (met) de hand wassen • laver à la mainde hand op de knip houden • être près de ses soushand over hand toenemen • aller en augmentantiemand iets ter hand stellen • remettre qc. à qn. (en mains propres)iemand het werk uit de handen nemen • décharger qn. d'un travailer komt niets uit zijn handen • il n'arrive à rien (de bon)uit de hand eten • 〈letterlijk; m.b.t. dieren〉 accepter la nourriture dans la main de qn.; 〈 figuurlijk〉 manger dans la mainuit de eerste hand • de première mainvlug van de hand gaan • se vendre comme des petits painsiets van de hand doen • écouler qc.van hand tot hand gaan • passer de main en maingeen hand voor iemand, iets uitsteken • ne pas lever le petit doigt pour aider qn., faire qc.hij heeft er geen hand naar uitgestoken • il n'y a pas touchéhet zijn twee handen op één buik • ils s'entendent comme larrons en foire¶ wat is er daar aan de hand? • qu'est-ce qui se passe?alsof er niets aan de hand was • comme si de rien n'étaitiets in de hand werken • aider à qc.dat werkt misdaad in de hand • c'est une incitation au crimeiemand op zijn hand krijgen • mettre qn. de son côtéop iemands hand zijn • être du côté de qn.op handen zijn • être imminentvan de hand in de tand leven • vivre au jour le joureen voorstel van de hand wijzen • repousser une propositionbeschuldigingen van de hand wijzen • rejeter des accusationseen uitnodiging van de hand wijzen • décliner une invitation→ link=vogel vogel -
6 sterk
♦voorbeelden:het sterke geslacht • le sexe forthet leger is 30.000 man sterk • l'armée est forte de 30.000 hommeseen sterke motor • un moteur puissanteen sterke parfum • un parfum capiteuxeen sterke persoonlijkheid • une forte personnalitéeen sterke valuta • une monnaie fortesterk gepeperd • très poivréeen sterk vergrote foto • une photo fortement agrandiedat is sterk! • ça c'est (un peu) fort!〈 figuurlijk〉 zich sterk maken voor iemand • prendre fait et cause pour qn.sterker maken • renforcersterk ruiken • sentir fortsterk twijfelen aan iets • douter fort de qc.hij is niet sterk genoeg om dat te doen • il n'est pas de force à le fairesterker nog … • le plus fort c'est que …zij zijn numeriek sterker • ils sont supérieurs en nombresterk in aardrijkskunde zijn • être fort en géographie〈 spreekwoord〉 wie niet sterk is, moet slim zijn • quand on n'est pas le plus fort, il faut être le plus fineen sterk gezondheid hebben • avoir une santé robustesterke lijm • de la colle forteeen sterke plant • une plante vigoureuse→ link=paard paard -
7 man
♦voorbeelden:er zijn anderhalve man en een paardenkop • il n'y a que quatre pelés et un tondudie arme man • ce pauvre bonhommeeen geleerd man • un savantde gewone man • l'homme de la ruede juiste man op de juiste plaats • l'homme de la circonstanceeen oude man • un vieillardhij is daar de rechte man niet voor • ce n'est pas l'homme qu'il fauthij is er de man niet naar om • il n'est pas l'homme àman overboord! • un homme à la mer!zij waren vijf man sterk • ils étaient cinqiets aan de man brengen • trouver acheteurrecht op de man af spreken • parler cruop de man af • sans détouriemand iets recht op de man af zeggen • ne pas l'envoyer dire à qn.het kost een tientje per man • ça coûte dix florins par personneeen man van zijn woord • un homme de paroleeen man van niks • un rien du touteen gevecht van man tot man • un corps à corpsman voor man • un à unals één man • comme un seul hommeals een man • en homme〈 spreekwoord〉 een man een man, een woord een woord • chose promise, chose duemet hoeveel man zijn we? • combien sommes-nous?mans genoeg zijn om • être de taille à -
8 stuk
stuk1〈 het〉5 [aantrekkelijke vrouw, man] (beau) morceau♦voorbeelden:een stuk met iemand meelopen • faire un bout de chemin avec qn.de stukken opvegen • balayer les morceauxwerken dat de stukken er af vliegen • travailler d'arrache-piediets aan stukken slaan, gooien • mettre qc. en morceauxin, aan, bij stukken en brokken • fait de pièces et de morceauxiets in stukken scheuren • déchirer qc. en morceauxiets in drie stukken verdelen • diviser qc. en trois morceauxin stukken vliegen • voler en éclatseen stuk uit een boek voorlezen • lire un passage d'un livreeen stuk van haar leven • une partie de sa vieeen pond biefstuk aan één stuk • une livre de bifteck en un seul morceauaan één stuk doorpraten • parler sans interruptionuit één stuk vervaardigd • d'un seul morceaueen stuk beter • beaucoup mieuxmijn klas is een heel stuk voor • ma classe a pris une bonne avancezij is een stuk afgeslankt • elle a pas mal maigridat zou ons een stuk verder brengen • ça nous avancerait pas maliemand met stukken slaan • surpasser qn. de loinop geen stukken na • en aucune manièreeen stuk speelgoed • un jouetop stuk werken • travailler à la piècetwee gulden per stuk • deux florins pièceper stuk verkopen • vendre à la piècestuk voor stuk werden de onderdelen vervangen • les pièces ont été remplacées l'une après l'autrehet zijn stuk voor stuk deugnieten • ce sont des vauriens, tous tant qu'ils sonteen tientje het stuk • dix florins piècetwintig stuks koeien • vingt vacheseen stuk of tien appels • une dizaine de pommesgeef me maar een stuk of wat schroeven • donne-moi quelques viseen ongefrankeerd stuk • un envoi postal non affranchieen stukje over dit onderwerp • un petit article sur ce sujet7 de ingekomen stukken • le courrier ‘arrivée’iets met de stukken kunnen bewijzen • pouvoir prouver qc. pièces à l'appuize spelen een nieuw stuk • ils jouent une nouvelle pièceeen broek met stukken • un pantalon rapiécéhij had stukken op zijn ellebogen • ses manches étaient rapiécées aux coudeseen stuk verdriet • un vrai poisoneen misselijk stuk vreten • un type écoeuranteen lui stuk vreten • un tire-au-flancop zijn stuk staan • rester ferme dans son opinionop zijn stuk blijven staan • persévérer (dans son opinion)iemand van zijn stuk brengen • déconcerter qn.een stuk in zijn kraag hebben • avoir un verre dans le nez————————stuk21 [aan stukken; defect] cassé2 [onder de indruk, ingenomen met] bouleversé♦voorbeelden:de klok is stuk • la pendule ne marche plusde automaat is stuk • l'appareil distributeur est en panneeen boek stuk lezen • abîmer un livre (à force de le lire)iets stuk slaan • démolir qc.het kopje viel stuk • la tasse s'est cassée (en tombant)helemaal stuk van iets zijn • être tout bouleversé par qc. -
9 door herhaalde oefening heeft hij het zo ver gebracht
door herhaalde oefening heeft hij het zo ver gebrachtDeens-Russisch woordenboek > door herhaalde oefening heeft hij het zo ver gebracht
-
10 grof
1 [groot van stuk] 〈 bijvoeglijk naamwoord〉 gros/grosse2 [ruw (bewerkt)] 〈 bijvoeglijk naamwoord〉 brut ⇒ 〈 ook figuurlijk〉 grossier 〈v.: grossière〉 ⇒ 〈 doek, vijl, vezel, zand〉 gros♦voorbeelden:die jongen is grof gebouwd • ce garçon est bâti en forcegrof papier • papier bruteen grof weefsel • un tissu grossiergrof zout • gros seliets grof schetsen • esquisser qc. à grands traitseen grove leugen • un grossier mensonge(een) grove nalatigheid • (une) négligence impardonnableeen grof schandaal • un vrai scandaleeen grove tegenstelling • un contraste crianteen grof woord • un gros motiemand grof behandelen • traiter qn. grossièrementdat is al te grof • c'est un peu grosnu maakt hij het te grof • maintenant, il y va trop forthet grove werk • les gros travauxgrove winst maken • faire de gros bénéfices -
11 heksentoer
-
12 herhaald
1 répété♦voorbeelden:herhaalde malen • à plusieurs reprisesdoor herhaalde oefening heeft hij het zo ver gebracht • c'est à force d'exercice qu'il est arrivé à ce résultatherhaalde onderbrekingen • de fréquentes interruptionsherhaalde pogingen doen • multiplier les tentativesop herhaald verzoek • sur demande réitérée -
13 hout
♦voorbeelden:van dik hout zaagt men planken • 〈 niet fijntjes〉 on force la dose!; 〈 flink pak slaag〉 on n'y va pas de main morte!in hout graveren • graver sur bois〈 Algemeen Zuid-Nederlands〉 niet meer weten van welk hout pijlen maken • ne plus savoir à quel saint se vouer -
14 bukken
1 [voorover buigen] se baisser2 [zwichten] céder (à, devant, sous)♦voorbeelden:hij gaat gebukt onder deze verantwoordelijkheid • cette responsabilité pèse sur luiII 〈wederkerend werkwoord; zich bukken〉1 [voorover buigen] se baisser -
15 daarin ligt zijn (grote) kracht
daarin ligt zijn (grote) krachtDeens-Russisch woordenboek > daarin ligt zijn (grote) kracht
-
16 dat kost kracht
dat kost kracht -
17 die jongen is grof gebouwd
die jongen is grof gebouwd -
18 goedschiks
1 [gewillig] de son (plein) gré2 [behoorlijk, betamelijk] convenablement♦voorbeelden:goedschiks of kwaadschiks • de gré ou de force -
19 grijs
1 [algemeen] gris2 [zeer oud] lointain♦voorbeelden:een grijs hoofd • une tête blanchehij is grijs geworden • il a blanchigrijs schilderen • peindre en grishij, zij wordt grijs • ses cheveux grisonnentgrijs van het stof • gris de poussièrehet grijs • le griszij was in het grijs • elle était en gris→ link=haar haarmaak het nou niet te grijs • n'exagère pas -
20 hij heeft zich op eigen kracht omhooggewerkt
hij heeft zich op eigen kracht omhooggewerktDeens-Russisch woordenboek > hij heeft zich op eigen kracht omhooggewerkt
- 1
- 2
См. также в других словарях:
C'est forcé — ● C est forcé c est inéluctable, cela ne peut être autrement : Il échouera, c est forcé … Encyclopédie Universelle
force — [ fɔrs ] n. f. • 1080; bas lat. fortia, plur. neutre substantivé de fortis → 1. fort; forcer I ♦ La force de qqn. 1 ♦ Puissance d action physique (d un être, d un organe). Force physique; force musculaire. ⇒ résistance, robustesse, vigueur. Force … Encyclopédie Universelle
forcé — force [ fɔrs ] n. f. • 1080; bas lat. fortia, plur. neutre substantivé de fortis → 1. fort; forcer I ♦ La force de qqn. 1 ♦ Puissance d action physique (d un être, d un organe). Force physique; force musculaire. ⇒ résistance, robustesse, vigueur … Encyclopédie Universelle
Campagnes d'Afrique de l'Est (Force publique) — Pour les articles homonymes, voir Campagne d Afrique de l Est. Le drapeau de la Force publique Les Campagnes d Afrique de l Est évoquent les opérat … Wikipédia en Français
force — Force. subst. fem. Vigueur, faculté naturelle d agir vigoureusement. Il se dit proprement du corps. Force naturelle. grande force. force extraordinaire. force de corps. force de bras, la force consiste dans les nerfs. frapper de toute sa force, y … Dictionnaire de l'Académie française
forcé — forcé, ée (for sé, sée) part. passé de forcer. 1° À quoi on a fait violence, qu on a tordu, brisé avec violence. Un coffre forcé. Une serrure forcée. • Ils [les Juifs] répandirent dans le monde que le sépulcre [de Jésus] avait été forcé ;… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
forcé — Forcé, [forc]ée. part. Il a les significations de son verbe. On dit d Un homme, qu Il est forcé dans toutes ses actions, pour dire, qu Il est contraint, qu il est affecté, dans tout ce qu il fait. On appelle, Style forcé, Un style qui n est pas… … Dictionnaire de l'Académie française
force — (for s ) s. f. 1° Propriété qui fait que le corps d un homme ou d un animal a une grande puissance d action. 2° La force de l âge. 3° Puissance, supériorité. 4° Se dit des États, que l on compare à un corps vivant. 5° Ce qui rend une… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
FORCE — s. f. Vigueur, faculté naturelle d agir vigoureusement. Il se dit proprement en parlant De l homme et des animaux. Force physique. Grande force. Force extraordinaire. Force de corps. Force de bras. Force de reins. La force d un homme, d un animal … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 7eme edition (1835)
FORCE — n. f. Faculté naturelle d’agir vigoureusement. Il se dit proprement en parlant de l’Homme et des animaux. Force physique. Force musculaire. Une force d’Hercule. Frapper de toute sa force. Manquer de force. Lancer une chose avec force. Crier de… … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 8eme edition (1935)
Force (mécanique) — Force (physique) Pour les articles homonymes, voir force. Une force désigne, en physique, l interaction entre deux objets ou systèmes, une action mécanique capable d imposer une accélération, ce qui induit un déplacement ou une déformation de l… … Wikipédia en Français