-
1 activité
activité [aaktievietee]〈v.〉1 activiteit ⇒ werkzaamheid, bedrijvigheid, werking♦voorbeelden:j'ignore tout de ses activités • ik weet helemaal niet wat hij doeten activité • in werkingen pleine activité • volop in bedrijff1) activiteit, bezigheid, werking2) beroepsleven -
2 occupation
occupation [okkuupaasjõ]〈v.〉1 bezigheid ⇒ werk, baantje3 bewoning♦voorbeelden:c'est toujours une occupation • je hebt in elk geval iets te doenf1) bewoning2) bezetting3) werk, baantje -
3 défouloir
-
4 désoeuvré
désoeuvré [deezuvree]〈bijvoeglijk naamwoord; ook m., v.〉1 niet bezig ⇒ zonder bezigheid, werkeloos, ledig♦voorbeelden:1 un désoeuvré • nietsdoener, werkeloze -
5 oisif
oisif [waazief]〈bijvoeglijk naamwoord; ook m., v.〉1 nietsdoend ⇒ werkeloos, zonder bezigheid♦voorbeelden:être oisif • niets om handen hebbenun oisif, une oisive • nietsnut, leegloper -
6 oisivement
oisivement [waazievmã]〈 bijwoord〉1 zonder iets om handen te hebben ⇒ werkeloos, zonder bezigheid♦voorbeelden:
Перевод: с французского на нидерландский
с нидерландского на французский- С нидерландского на:
- Французский
- С французского на:
- Нидерландский