-
1 обивка
betimmeren, beslaan, stofferen ; bekleding, meubelstof -
2 обить
beslaan, bekleden, betimmeren, stofferen, overtrekken -
3 обивать
beslaan, bekleden, betimmeren, stofferen, overtrekken -
4 обивать досками
vgener. betimmeren -
5 обивать панелями
vgener. betimmeren -
6 обшивать досками
vgener. beplanken, beschieten, betimmeren -
7 обшивать панелями
vgener. betimmerenRussisch-Nederlands Universal Dictionary > обшивать панелями
-
8 board
n. bord, plank; directie; (in computers) computerkaarten, een plastic kaart waarop elektronische onderdelen gesoldeerd zijn, de computerkaart past in een slot (uitbreidingsslot); voedsel--------v. in de kost zijn; beplanken; aan boord gaan (trein)board1[ bo:d] 〈 zelfstandig naamwoord〉2 (aanplak/score)bord ⇒ schild, plaat; bord 〈 basket- en korfbal〉; (schaak)bord; (speel)bord4 kost(geld) ⇒ onderhoud, pension♦voorbeelden:board by board, board on board • boord aan boord, met de schepen langszijon board • aan boord vanfull board • vol pensionboard of governors • bestuur, curatoriumeditorial board • redactie¶ groaning board • rijkbeladen tafel/dissweep the board • grote winst(en) boeken, zegevierenabove board • open, eerlijkacross the board • over de hele linie, iedereen, niemand uitgezonderdgo on board a train • in de trein stappen————————board22 laveren ⇒ slagen maken, opwerken♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 beplanken ⇒ beschieten, betimmeren, bevloeren, kartonneren2 in de kost hebben/nemen♦voorbeelden: -
9 lag
n. (het) achterblijven, te laat zijn, te laat komen; stagnatie, tijdsverschil, een tijdsverschil dat is ontstaan door langzame reactie tussen twee computers; wachtperiode; hoepel (om een ton), velg--------n. crimineel, bajesklant (slang); tijdsverloop van een gevangenisstraf (slang)--------v. achterblijven, achteraan komen; bekleden, isolerenlag1[ læg] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 tijdsverloop ⇒ vertraging, achterstand————————lag2〈 lagged〉II 〈 overgankelijk werkwoord〉 -
10 lambrisser
lambrisser [lãbriesee]〈 werkwoord〉1 lambriseren ⇒ beschieten, bekleden, betimmerenv1) gelambriseren, bekleden2) bepleisteren, stukadoren -
11 boiser
-
12 latter
-
13 menuiser
menuiser [mənŵiezee]〈 werkwoord〉 -
14 planchéier
-
15 täfeln
täfeln -
16 verschalen
-
17 vertäfeln
vertäfeln
Перевод: со всех языков на нидерландский
с нидерландского на все языки- С нидерландского на:
- Все языки
- Со всех языков на:
- Все языки
- Английский
- Нидерландский
- Русский
- Французский