-
1 afslijten
1 [de buitenste delen doen verliezen] wear (off/down) ⇒ rub off/away♦voorbeelden:1 [de buitenste delen verliezen] wear out/off/away♦voorbeelden:1 door de golfslag slijten die oevers voortdurend af • the banks are continually being eroded by the waves -
2 afslijten
1 [de buitenste delen doen verliezen] user1 [de buitenste delen verliezen] s'user♦voorbeelden:onze vriendschap slijt af • notre amitié va decrescendo -
3 afslijten
стоптаться; стереться; стоптанный; стёртый, истёртый; изнашивать; стаптывать; стирать; изнашиваться; стираться* * *гл.1) общ. изнашивать, изнашиваться, стаптывать, стираться2) перен. стирать -
4 afslijten
v. wear down by rubbing or scraping, abrade, fray -
5 afslijten
• to wear -
6 afslijten
roder, user -
7 door het gebruik afslijten
door het gebruik afslijten -
8 zijn schoenen afslijten
zijn schoenen afslijtenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > zijn schoenen afslijten
-
9 het trappehuis afslijten
мест.общ. обивать пороги -
10 p.p. îò afslijten
gener. afgesleten -
11 afgesleten
изношенный; истёртый* * *прил.общ. p.p. îò afslijten, изношенный, истёртый -
12 изнашивать
v -
13 изнашиваться
vgener. afslijten, slijten, uitslijten, verslijten -
14 обивать пороги
vgener. (у кого-л.) (iemands) drempel plat lopen, het trappehuis afslijten -
15 стаптывать
-
16 стирать
v1) gener. wissen, (резинкой) gummen, afdoen, raderen (резинкой), wassen (бельё), wegdoezelen, wegvagen, uitwassen (бельё), afschuren, afvagen, afvegen, afwrijven, doorlopen (íîãè), uitdoen (написанное), uitgommen (резинкой), uitslijten, uitvlakken, uitwissen, wegmaken, wegvegen, wegwissen2) liter. afslijten -
17 стираться
vgener. verbleken (из памяти), afslijten, verslijten, vervagen -
18 afdragen
-
19 gebruik
♦voorbeelden:het gebruik van de handen missen • ne pas avoir l'usage de ses mainshet gebruik van tractoren • l'utilisation de tracteurshet gebruik van de tuin was hem toegestaan • il lui était permis de profiter du jardinartikel voor dagelijks gebruik • article de consommation courante, d'usage courantvoor eigen gebruik • pour (mon, ton etc.) usage personneleen slecht gebruik maken van iets • user mal de qc.alleen voor uitwendig gebruik • à usage externe(geen) gebruik van iets maken • (ne pas) se servir de qc.van de gelegenheid gebruik maken • profiter de l'occasionvan iemands uitnodiging gebruik maken • accepter l'invitation de qn.buiten gebruik raken • tomber en désuétudeiets buiten gebruik stellen • mettre qc. hors d'usagedoor het gebruik afslijten • se détériorer à l'usageiets in gebruik nemen • utiliser qc. pour la première foisalgemeen in gebruik zijn • être utilisé courammentin gebruik komen • devenir courantin het gebruik • à l'usageiets in gebruik stellen • mettre qc. en servicebekend zijn met het gebruik van iets • savoir (comment) se servir de qc.voor iemands gebruik • à l'usage de qn.het is een goed gebruik dat • c'est une bonne habitude deeen oud gebruik • un vieil usageeen plaatselijk gebruik • une coutume localeeen zonderling gebruik • une drôle d'habitudehet is hier het gebruik dat • il est d'usage que -
20 uitslijten
- 1
- 2