-
1 Nachweis
Nachweis〈m.; Nachweises, Nachweise〉♦voorbeelden:1 den Nachweis für etwas erbringen, führen, liefern • het bewijs van iets leveren, iets bewijzen, aantonen -
2 aufzeigen
-
3 ausweisen
ausweisen1 uitwijzen, het land uit zetten2 aantonen, bewijzen♦voorbeelden:die Zeit wird es ausweisen • de tijd zal het leren2 bewijzen te zijn, blijken♦voorbeelden:sich als guter Wissenschaftler ausweisen • bewijzen een goed wetenschapsman te zijn3 sich durch eine wichtige Leistung ausweisen • door een belangrijke prestatie het bewijs van zijn kunnen leveren -
4 belegen
belegen1 bewijzen, aantonen, staven ⇒ documenteren4 zich inschrijven voor, volgen5 bespreken, reserveren ⇒ vrijhouden; bezet houden7 beschieten ⇒ bombarderen, bestoken♦voorbeelden:ein Zimmer mit 10 Personen belegen • 10 personen op één kamer leggen3 den 2. Platz belegen • de 2e plaats bezetten, behalen4 eine Vorlesung belegen • zich inschrijven voor een college, een college volgenein Tau belegen • een touw beleggen, vastmaken -
5 beweisen
-
6 dartun
-
7 demonstrieren
-
8 dokumentieren
dokumentieren♦voorbeelden: -
9 erweisen
-
10 etwas evident machen
-
11 evident
-
12 falsifizieren
-
13 nachweisen
nachweisen♦voorbeelden:jemandem einen Diebstahl nachweisen • bewijzen dat iemand een diefstal gepleegd heeftjemandem nichts nachweisen können • iemand niets ten laste kunnen leggen2 jemandem eine Stelle, eine Wohnung nachweisen • iemand een betrekking, een woning bezorgen -
14 sicherstellen
sicherstellen1 veilig opbergen ⇒ in beslag nemen; beschermen2 garanderen, verzekeren, waarborgen ⇒ veilig stellen3 aantonen, (zonder twijfel) vaststellen, bewijzen
Перевод: с немецкого на нидерландский
с нидерландского на немецкий- С нидерландского на:
- Немецкий
- С немецкого на:
- Нидерландский