-
1 aanhollen
-
2 aanhollen
-
3 aanhollen
примчаться сломя голову; прибежать; примчаться; наскочить* * *гл.общ. прибежать, наскочить (tegen-на), примчаться (òæ. komen aanhitser) -
4 komen aanhollen, aangehold
komen aanhollen, aangehold -
5 komen aanhollen/aangehold
komen aanhollen/aangeholdVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > komen aanhollen/aangehold
-
6 наскочить
v1) gener. aanhollen (tegen-íà), aanroeien (tegen-íà), aanzeilen (tegen-íà), aanlopen (tegen-íà), aanrijden tegen, botsen, tegen (iem.) bonzen (на кого-л.)2) navy. omvaren -
7 прибежать
vgener. aanhollen, aanrennen, komen aanlopen -
8 примчаться
vgener. aanstuiven, toestuiven, aanhollen (òæ. komen aanhitser), aanjagen (òæ. komen aanhouding), aanrennen, aanstormen, komen aanschieten, toestormen
Перевод: с нидерландского на все языки
со всех языков на нидерландский- Со всех языков на:
- Нидерландский
- С нидерландского на:
- Все языки
- Английский
- Русский
- Французский