-
1 de
deI 〈 bepaald lidwoord〉1 le 〈m.〉; la 〈v.〉; l' 〈m.+ v.; vóór klinker of stomme h〉; les 〈 meervoud〉; 〈 voorafgegaan door een voorzetsel, dat in 't Frans met ‘à’ of ‘de’ moet worden vertaald〉 au 〈à + le〉; aux 〈à + les〉; du 〈de + le〉; des 〈de + les〉♦voorbeelden:de man, de vrouw, de arbeider • l'homme, la femme, l'ouvrier1 [de beste in zijn soort]le, la, l', les … par excellence2 [de juiste]le, la, l', les … qu'il me (te, lui etc.) faut3 [de belangrijkste]le, la, les plus important(e)(s), grave(s) etc.♦voorbeelden:dat is dé oplossing voor dit probleem • c'est la meilleure solution (pour résoudre ce problème)2 dat is dé man voor dat karwei • c'est l'homme qu'il me (te etc.) faut3 drugsgebruik is dé plaag van onze samenleving • la drogue est le plus grave fléau de notre société -
2 het
het11 [onzijdig naamwoord] 〈 aanwijzend voornaamwoord〉 ce, c' 〈 als onderwerp〉; ça, cela 〈 als onderwerp, ter versterking〉; 〈 persoonlijk voornaamwoord〉 le, la 〈 als lijdend voorwerp〉; lui 〈 als meewerkend voorwerp〉; en, y♦voorbeelden:1 wat is het toch, dat geluid? • mais qu'est-ce que c'est que ce bruit?de bakker nam deeg en kneedde het • le boulanger prit de la pâte et la malaxahet kind heeft honger, geef het een boterham • cet enfant a faim, donne-lui une tartinehet was een oude man • c'était un vieil hommehet waren moeilijke dagen • ce furent des journées pénibleshet scheelde weinig • il s'en est fallu de peuhet kan me niet schelen • je m'en ficheII 〈 onbepaald voornaamwoord〉1 [loos onderwerp] 〈 persoonlijk voornaamwoord〉 il 〈 als onderwerp van een onpersoonlijk werkwoord〉 ⇒ 〈 aanwijzend voornaamwoord〉ça2 [geslachtsgemeenschap] ça♦voorbeelden:1 hoe gaat het? • comment ça va?het regent • il pleuthet zij zo • soit!〈 met nadruk〉 dat is je van het! • c'est le fin du fin!————————het21 〈 bepaald lidwoord〉 le 〈m.〉; l' 〈m.+ v.; vóór klinker of stomme h〉; la 〈v.〉; 〈 voorafgegaan door een voorzetsel, dat in 't Frans met ‘à’ of ‘de’ moet worden vertaald〉 au 〈à + le〉; des 〈de + les〉♦voorbeelden:het huis, het brood, het uur • la maison, le pain, l'heureop het kasteel • au châteauzij was er het eerst • elle était la première arrivéewie van hen is het gelukkigst? • lequel d'entre eux est le plus heureux? laquelle d'entre elles est la plus heureuse?1 [het beste in zijn soort] le, la, l' … par excellence2 [het juiste]le, la, l' … qu'il me (te, lui etc.) faut3 [het belangrijkste]le, la, l' … majeur(e)♦voorbeelden:dat is hét succes van het jaar • c'est le (grand) succès de l'année¶ hét idee! • quelle idée! -
3 uitnemendheid
-
4 edelheid
vnoblesse f d'âme, excellence f -
5 excellentie
v -
6 het
1. vn1) ce, c', ça/cela, le/la, lui, en, y2) il, ça2. lidw1) le m, l' m/f, la f2) au [à + le], des [de + les]3) le/la/l'... par excellence4) le/la/l'... qu'il me (te, lui, etc) faut5) le/la/l'... majeur(e) -
7 Nederland is hét land van de tulpen
Nederland is hét land van de tulpenDeens-Russisch woordenboek > Nederland is hét land van de tulpen
-
8 bij uitnemendheid
bij uitnemendheid -
9 bij uitstek
bij uitstek -
10 excellentie
-
11 hij is dé filosoof
hij is dé filosoof -
12 meeuwen zijn uitstekende vliegers
meeuwen zijn uitstekende vliegersDeens-Russisch woordenboek > meeuwen zijn uitstekende vliegers
-
13 prijs van uitmuntendheid
prijs van uitmuntendheid -
14 prijs
♦voorbeelden:een vaste prijs • un prix fixevoor een zacht prijsje • à un prix d'amieen nader overeen te komen prijs • un prix à débattreeen prijs op iemands hoofd stellen • mettre à prix la tête de qn.iemand een prijs toekennen • décerner un prix à qn.altijd prijs! • à tous les coups on gagne!bij de prijs inbegrepen • tout comprisde benzine is in prijs gestegen • le prix de l'essence a augmentéin de prijzen vallen • gagnertegen de prijs van • au prix detegen, tot elke prijs • à tout prixvoor geen prijs • à aucun prixde eerste prijs in de loterij • le gros lot à la loteriede tweede prijs in de loterij • le second prix à la loterieiets op prijs stellen • apprécier qc. -
15 uitmuntendheid
-
16 uitstek
-
17 vlieger
♦voorbeelden:de vlieger staat • le cerf-volant reste immobile
См. также в других словарях:
excellence — [ ɛkselɑ̃s ] n. f. • 1160; lat. excellentia, de excellere → exceller 1 ♦ Littér. Degré éminent de perfection qu une personne, une chose, a en son genre. ⇒ perfection, supériorité. L excellence d un vin. « S ils connaissaient l excellence de l… … Encyclopédie Universelle
Excellence — is the state or quality of excelling. Particularly in the field of business and organizations, excellence is considered to be an important value, and a goal to be pursued. See also * Excellent Cadavers * Excellent Women * Excellency * National… … Wikipedia
excellence — ex‧cel‧lence [ˈeksləns] noun [uncountable] HUMAN RESOURCES when someone is very good at something, or when something is of very high quality: • Employers should reward achievement and encourage excellence. * * * excellence UK US /ˈeksələns/ noun … Financial and business terms
excellence — Excellence. s. f. v. Degré de perfection au dessus des autres. En quoy consiste l excellence de cette Musique, de cette Comedie, de ce livre? cela est beau par excellence. je n en connois pas l excellence. c est en cela qu est l excellence.… … Dictionnaire de l'Académie française
excellence — excellence, merit, virtue, perfection are comparable when meaning a quality or feature of a person or thing that gives him or it especial worth or value. Excellence applies to a quality or feature in which the person or thing excels or surpasses… … New Dictionary of Synonyms
excellence — Excellence, Claritas, Exuperantia, Praestantia, Splendor, Excellentia. Excellence de dignité resident en la personne des Rois, ou au corps d un peuple vivant en democratie, Maiestas. Excellence et dignité soit à cause de la race, ou pour quelque… … Thresor de la langue françoyse
Excellence — Ex cel*lence, n. [F. excellence, L. excellentia.] 1. The quality of being excellent; state of possessing good qualities in an eminent degree; exalted merit; superiority in virtue. [1913 Webster] Consider first that great Or bright infers not… … The Collaborative International Dictionary of English
excellence — mid 14c., from O.Fr. excellence, from L. excellentia, from excellentem (see EXCELLENT (Cf. excellent)) … Etymology dictionary
excellence — index caliber (quality), efficiency, merit, prowess (ability), right (righteousness), signi … Law dictionary
excellence — [n] superiority arete, class, distinction, éclat, eminence, excellency, fineness, goodness, greatness, high quality, merit, perfection, preeminence, purity, quality, superbness, supremacy, transcendence, virtue, worth; concept 671 Ant. failure,… … New thesaurus
excellence — ► NOUN ▪ the quality of being excellent … English terms dictionary